Aflevering 130 Louise Bourgeois’ werk in de jaren 1960

Louise Bourgeois.Germinal en Soft Landscape II. Foto: Susan Hol, 2019, genomen van het boek ‘Louise Bourgeois, An Unfolding Portrait’, door Deborah Wye (MoMa, New York, 2017), p.154.

Het werk dat Louise Bourgeois in de jaren 1960 maakt heeft Lucy R. Lippard bloemrijk omschreven in haar artikel in Artforum (13, no.7, maart 1975). Ik neem dat bijna letterlijk over. Lippard schrijft over: ‘menigten (ofwel meerdere staande vormen) van borst-fallus uitsteeksels, vingerachtige groeisels, afgeronde cilinders met diverse verticale of horizontale accenten. Soms zijn het flexibele trossen, zich omhoog duwend uit ruig terrein, soms kogelvormen op een vlak platform, soms zinnelijk glanzende koepels bedekt door een barokke draperie waaruit sommigen tevoorschijn komen en waaronder andere zich verschuilen.’

Lucy Lippard organiseerde in 1966 de invloedrijke groepsexpositie Eccentric Abstraction, in Fischbach Gallery, New York. Daar werd werk getoond van Bourgeois, Eva Hesse, Bruce Nauman, en andere kunstenaars. In die tijd waren er fikse discussies over de vraag of er een ‘women’s art’ was. Ik weet niet goed hoe ik dit moet vertalen. Vrouwenkunst? Kunst voor en door vrouwen? Kunst met een vrouwelijke inslag?

Hoe dan ook, in die tijd zaten de vrouwen middenin die discussie en Lippard zag toentertijd wel dat het te vroeg was om conclusies te trekken. Waarom? Omdat kunst onvermijdelijk beïnvloed wordt door andere kunst die publiekelijk zichtbaar is gemaakt, wat toen (en nu nog steeds?) inhield: kunst gemaakt door mannen.

Tijdens het organiseren van Eccentric Abstraction had ze wel het een en ander gezien dat haar opviel aan het werk van vrouwen.

Wat was dat!?!

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Advertenties

Aflevering 129 Louise Bourgeois’ Erasmus Books and Prints Shop

Louise Bourgeois (1911–2010), One and Others, 1955. Painted and stained wood, 18 5/8 x 20 x 16 7/8in. (47.3 x 50.8 x 42.9cm). Whitney Museum of American Art, New York; purchase 56.43. Art © Louise Bourgeois Trust / Licensed by VAGA, New York, NY. Photograph by Jerry L. Thompson. Gevonden op: https://www.whitney.org/WatchAndListen/858, met audio over dit werk.

In 1953 komt Louise Bourgeois met Forêt (Night Garden), een sculptuur die bestaat uit een verzameling verschillende delen op een houten voet. In dat jaar heeft ze haar derde en voorlopig laatste solo-expositie Louise Bourgeois: Drawings for Sculpture and Sculpture, Peridot Gallery, waar ook Forêt getoond wordt.

Naast het vele schrijven en al het zelfonderzoek, opent Bourgeois in 1956 een winkel in New York: Erasmus Books and Prints. Hier kan zij de verzameling geïllustreerde boeken en prints, opgebouwd door haar vader, en haar eigen aankopen en aanwinsten verworven via veilingen, onderbrengen. De winkel bestaat drie jaar. Volgens het MoMa waren geïllustreerde boeken voor Bourgeois objecten die ze bewonderde, waarin ze vaak ‘langzaam bladerde om te genieten van de artistieke bijdragen, de typografie, en het gehele ontwerp’ (MoMa, site).

Ze las ook veel, literatuur, psychologie, geschiedenis en mythologie, vooral tijdens haar regelmatig terugkerende aanvallen van slapeloosheid. In haar vroege kunstenaarsjaren had ze zelf een geïllustreerd boekje gemaakt met haar eigen verhalen: He Disappeared into Complete Silence (1946-1947). In dat boekje zijn vooral tekeningen van de grote gebouwen van New York te vinden, in abstracte vorm.

Nadat Bourgeois de winkel heeft opgedoekt, in 1959 (ze is dan alweer twee jaar Amerikaans staatsburger), gaat ze experimenteren met materialen als plastic, latex en rubber. Ze maakt daarmee organisch gevormde sculpturen die in 1964 worden getoond tijdens een – voor het eerst in lange tijd – solo-expositie, in New York, bij de Stable Gallery.

Volgens Lucy R. Lippard maakt Bourgeois tot de jaren 1960 vooral werken met herhaalde blad- en tentakelachtige vormen op een houten voetstuk, waarbij meestal een enkele gekleurde of anders ontworpen vorm omringd wordt. Forêt en het werk dat bij dit blog is afgebeeld zijn hiervan voorbeelden. Dit soort werk maakt volgens Lippard geleidelijk aan plaats voor andersoortig werk (Artforum, 13, no.7, maart 1975).

Wat was dat andersoortige werk?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 128 Louise Bourgeois’ schrijfwoede

Louise Bourgeois. Untitled en Hair. Ink on paper. Foto: Susan Hol, 2019, genomen van het boek ‘Louise Bourgeois, An Unfolding Portrait’, door Deborah Wye (MoMa, New York, 2017), p.138.

In 1951 overlijdt Louise Bourgeois’ vader op 66-jarige leeftijd. In datzelfde jaar koopt het MoMa New York haar werk Sleeping figure (1950) aan, een houten sculptuur. Deze sculptuur is uit de Personages serie. Op de site van het MoMa staat bij dit werk dat Bourgeois tussen 1945 en 1950 meer dan tachtig houten sculpturen maakte om de familie en vrienden te vertegenwoordigen die ze in haar geboorteland had achtergelaten.

Sleeping figure is een menselijke figuur uitgewerkt in drie lange ovale vormen, geflankeerd door dunne palen. Bourgeois maakte er een geheel van door de verschillende vormen met een laag zwarte verf te bedekken. Lucy R. Lippard zou dit een ‘hermetisch personage’ noemen (zie aflevering 127). Op de site van het MoMa staat dat Bourgeois ooit over haar sculpturen zei: ‘Het uiterlijk van mijn figuren is abstract en voor de toeschouwer lijken ze misschien helemaal geen figuren te zijn. Ze zijn de uitdrukking, in abstracte termen, van emoties en bewustzijnstoestanden.’

Of Bourgeois tijdens het maken er ook zo over dacht is de vraag, want na de dood van haar vader start ze, in 1952, met psychoanalyse en pas in die tijd kristalliseert zich een bepaald bewustzijn uit. Ze heeft een lange periode, tot het midden van de jaren 1960, viermaal per week therapie. Zeer intensief dus, gevolgd door zo’n twintig jaar therapie met tussenpozen (tot 1985). De data heb ik uit het boek Louise Bourgeois, An Unfolding Portrait (Deborah Wye, MoMa, New York, 2017).

Dat groeiende bewustzijn, gecombineerd met intensieve psychoanalyse, resulteert in een grote stapel volgekrabbelde losse blaadjes. De teksten hebben een psychoanalytische inslag, het is een vorm van therapie, zelfonderzoek. De ArtsEater was zo aardig een paar voorbeelden van Bourgeois’ aantekeningen te noteren:

Wat wil je?
Weet je wat het is?
Is dit mogelijk?
Nee, waarom niet?
Ben je op zoek naar een substituut?

Of

Ik heb gefaald als een echtgenote.
Als een vrouw.
Als een moeder.
Als een gastvrouw.
Als een kunstenaar.
Als een zakenvrouw.

In deze schrijf- en zelfonderzoektijd maakt ze vrij weinig sculpturen. Wel heeft ze in de jaren 1950 regelmatig exposities met oudere werken…

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 127 Louise Bourgeois’ abstracte personages

Louise Bourgeois, Installatie sculpturen, Peridot Gallery, New York, 1950. Originele foto: Aaron Siskind. Foto: Susan Hol, 2019, genomen van het boek ‘Louise Bourgeois, An Unfolding Portrait’, door Deborah Wye (MoMa, New York, 2017), p.17.

Ik weet niet precies hoe Lucy R. Lippard het hermetische portret van Louise Bourgeois bedoelt (Artforum, 13, no.7, maart 1975). Ze vertelt na die opmerking over de eerste sculpturen van Bourgeois, die ze toonde tijdens twee solotentoonstellingen, in 1949 en 1950, bij de Peridot Gallery.

De sculpturen zijn totemachtige, abstracte houten figuren, geschilderd in zwart, wit en rood. Ze stonden samen in een lege ruimte, een omgeving voor de wat Lippard noemt ‘abstracte personages’. Lippard vond het prachtige ‘stengelachtige figuren’.

Doordat de sculpturen alleen of in paren stonden, riep dat een pijnlijk gevoel van isolatie op. Althans, dat was wat het publiek erover zei.

Elke sculptuur was puntig, ‘onwillig om iets aan te raken, bang voor het leven zelf’ (quotes zijn uitspraken van Bourgeois, schrijft Lippard).

De sculpturen doen Lippard denken aan de totems van primitieve voorouders door hun bedekte, spookachtige kwaliteit. Ze hoorde van Bourgeois dat deze kwaliteit onderdeel was van een privéritueel waarmee Bourgeois ‘alle mensen die ik miste kon oproepen. Ik was niet geïnteresseerd in details. Ik was geïnteresseerd in hun fysieke aanwezigheid. Het was een soort van ontmoeting.’

Bourgeois had ook ‘een draagbare broer – een houten paal waarmee je kon rondlopen’.

Misschien slaat het hermetische portret vooral op het gebrek aan details bij de sculpturen, de gladgeschuurde en egaal geschilderde vormen, waardoor ze de indruk wekken volkomen dicht te zijn. De in aflevering 126 genoemde tweede betekenis van hermetisch.

Al zie ik ook aan haar opmerkingen het parallelle proces van innerlijke en uiterlijke transformatie uit de alchemie (zie aflevering 126). Ze mist mensen en geeft ze vorm in hout. Een innerlijk gevoel dat ze naar buiten brengt en transformeert naar een zichtbare fysieke vorm.

Blijft ze dat doen?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 126 Louise Bourgeois’ terugkerende thema’s en alchemie

Louise Bourgeois, Laurel Easton, 1944. Foto: Susan Hol, 2019, genomen van het boek ‘Louise Bourgeois, An Unfolding Portrait’, door Deborah Wye (MoMa, New York, 2017), p.151.

Louise Bourgeois had een grote interesse voor relaties, vooral die van één persoon met zijn/haar omgeving (zie aflevering 125). Lucy R. Lippard ziet in het werk van Bourgeois terugkerende thema’s als inperking, het lichaam-huis van de vrouw; het gefrustreerde verlangen naar ontsnapping (ladders die de verkeerde kant opgaan, een desolaat zwevende ballon in een kamer die niet door een smalle deur kan); huizen met vleugels of brandend ‘tegen depressie’ (quotes zijn uitspraken van Bourgeois, schrijft Lippard); opdoemende zuilen met ronde ogen; een ‘koffer, voor de tijd die voorbij is’ (Artforum, 13, no.7, maart 1975).

Lippard ziet doordringende angst in de zeer autobiografische werken die reflecteren op de kijk van de kunstenaar op zichzelf als een klein meisje – ‘dat goed probeerde te zijn en absoluut walgde van de wereld’.

Een andere constante is ‘the hermetic portrait’, zo schrijft Lippard.

Juist, en wat mag dat dan wel betekenen? Je kunt ‘hermetic’ vertalen als ‘hermetisch’, wat drie verschillende betekenissen heeft. De eerste verwijst naar Hermes Trismegistus, een Egyptische, laatantieke god van magie en alchemie. Dit is verbonden aan ‘hermetische kunst’, wat dan niet zozeer iets met kunst te maken heeft, maar alles met alchemie.

De tweede betekenis verwijst naar hoe wij de term hermetisch het beste kennen, namelijk volkomen dicht, dus water-, lucht- of gasdicht. De derde betekenis vormt zich met ‘afgesloten’ en betekent dan volledig ontoegankelijk, bijvoorbeeld de brug over de maas was hermetisch afgesloten.

Even terug naar alchemie en kunst. Op de website van Geert Kimpen is dat iets meer uitgewerkt en zie ik interessante parallellen met Bourgeois en haar manier van werken. Hij schrijft dat alchemie de ‘Koninklijke Kunst’ genoemd wordt, omdat het al sinds oudsher beoefend wordt dóór of vóór koningen. Die geschiedenis gaat terug tot 27 eeuwen voor Christus, bij de legendarische keizer Huang-Di, en duurde op zijn minst tot bij koning Charles uit de zeventiende eeuw.

In China werd alchemie vooral geassocieerd met de zoektocht naar onsterfelijkheid, in India ging het vooral om het maken van medicijnen, en in het westen stond het bereiden van de Steen der Wijzen centraal, de ‘Philosopher’s Stone’ die metalen in goud veranderde. Alle alchemisten zochten naar een vorm van perfectie in de vervolmaking van hun ziel en in hun ‘grote werk’. Goud maken ging ook over het spirituele goud, onlosmakelijk verbonden met het fysieke goud.

Alchemie was een parallel proces van innerlijke en uiterlijke transformatie. Dat lijkt mij precies wat Bourgeois steeds aan het doen was.

Maar goed, hoe bedoelt Lippard het hermetische portret van Bourgeois?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 125 Eenling met iets van een zonderling

Louise Bourgeois, Untitled, 1940. Foto: Susan Hol, 2019, genomen van het boek ‘Louise Bourgeois, An Unfolding Portrait’, door Deborah Wye (MoMa, New York, 2017), p.118.

Kun je bij Louise Bourgeois te veel psychologiseren? Misschien wel, al geeft ze daar zelf aardig wat reden toe.

Laat ik eerst weer even teruggrijpen op het artikel van criticus Lucy R. Lippard, die zo’n scherpe blik heeft en gewend is kunstwerken te observeren (Artforum, 13, no.7, maart 1975). Bovendien heeft ze in de herfst van 1974 een gesprek gevoerd met Louise Bourgeois.

Maar voordat ik dat ga doen is het goed om iets van Bourgeois’ levensloop te bekijken. Het volgende komt uit het boek Louise Bourgeois, An Unfolding Portrait, door Deborah Wye (MoMa, New York, 2017).

Na de jarenlange zorg voor haar zieke moeder, die in 1932 op 53-jarige leeftijd komt te overlijden, gaat Bourgeois aan de studie. Eerst mathematica en filosofie aan de Sorbonne in Parijs en later – na haar teleurstelling over de onzekerheden in de mathematica (zie aflevering 122) – switcht ze naar kunst, waarbij ze verschillende Parijse ateliers geregeld bezoekt en opleidingen volgt. Ze studeert ook kunstgeschiedenis aan de École du Louvre.

In 1938 maakt ze ruimte in de tapijtenwinkel van haar vader in Parijs voor prints, geïllustreerde boeken, tekeningen en schilderijen van kunstenaars als Bonnard, Delacroix, Matisse en Picasso. In datzelfde jaar ontmoet ze Robert Goldwater, Amerikaans kunsthistoricus, bij haar kleine galerie in haar vaders winkel. Drie weken later, op 12 september, trouwen ze en in oktober verkassen ze naar New York.

Het is een haastig huwelijk dat stand houdt tot de dood hen scheidt: in 1973 komt Robert Goldwater plotseling te overlijden als hij thuis is.

Lippard schrijft dat Bourgeois, van zichzelf al een eenling met iets van een zonderling, in New York geschokt was door de onpersoonlijkheid van de stad vol wolkenkrabbers (Artforum, 13, no.7, maart 1975).

Bourgeois was al gegrepen door ‘de relatie van één persoon met zijn/haar omgeving’ (quote is een uitspraak van Bourgeois, schrijft Lippard), en dat werd alleen maar een grotere bron van interesse door haar ruimtelijke fascinatie met en vervreemding in New York. Ze maakte in die jaren (rond 1940) kleine surrealistische schilderijen en grimmige gravures – grafische voorstellingen van sculpturale vormen – die ongemakkelijke ruimten weergaven, een wereld waar de omhelzing verstikt, aldus Lippard.

Maar er waren andere terugkerende thema’s.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.

Aflevering 124 Hart, hoofd, hart

Louise Bourgeois, Crouching Spider, 2003. Foto: Susan Hol, 2010, met toestemming Haags Gemeentemuseum, in kader van artikelen over vrouwen in de kunst voor tijdschrift Lover.

Waarom is wat ik schrijf in mijn dagboek geen (literaire) kunst (zie aflevering 123)? Er zijn immers zoveel kunstenaars ons die laten meegenieten van hun allerindividueelste expressie van hun allerindividueelste emoties. Louise Bourgeois is daar een sprekend voorbeeld van.

Maar het zijn niet haar dagboeken die wij te zien krijgen. Deze dagboeken puilen misschien uit van emoties die puur uit het hart, haar tenen, haar onderbuik komen, maar ze zijn net zomin als die van mij (literaire) kunst. Publicatie ervan zou eerder een slecht geschreven egodocument opleveren.

Nee, de dagboeken zijn nodig om zaken bewust te krijgen, zodat er ruimte komt voor het vormgeven in beeldende kunstwerken. Neem nu de spin die ze in 2003 heeft gemaakt, Crouching Spider (brons, platina en roestvrij staal). Hij heeft in 2010 een tijdje in de vijver bij het Haags Gemeentemuseum gestaan.

Dit beeld is niet zomaar een ding dat is ontstaan uit een bepaald soort materiaal. Het is ook niet alleen het toepassen van een beeldende techniek, of een mathematische krachttoer met rationele berekeningen voor de lengte van de poten, de spankracht en het gewicht, de vorm en balans. Crouching Spider is vooral de uitdrukking van een getroebleerd leven, van zeer individuele emoties.

Hoe kom ik daarbij? Als je naar Crouching Spider kijkt voel je iets ongemakkelijks, je weet niet goed wat je ermee aan moet, het is onbehaaglijk om naar te kijken en tegelijkertijd fascinerend. Het is, kortom, unheimisch. Je kijkt naar de spin als iets bekends, het is op een bepaalde manier vertrouwd, hoe bang je mogelijk ook voor spinnen bent. Maar dit bekende, vertrouwde is zo uit zijn verband gerukt (een enorme spin), dat het beklemmend, naargeestig en onheilspellend wordt.

Geeft Louise Bourgeois vorm aan dat wat ze verdrongen heeft of is dat al te veel gepsychologiseer?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk.