Blogs

Aflevering 181 Meret Oppenheim kiest een vrouw als passief voorwerp. Waarom?

Meret Oppenheim, Das Geheimnis der Vegetation, 1972. Gevonden op: http://www.rupf-stiftung.ch/?m=4&m2=1&lang=e&show=1&seite=&dirid=64.

De performance / happening van Meret Oppenheim, Frühlingsfest (voorjaarsfeest) ofwel Het Banket uit 1959 (zie aflevering 180) is zeer regelmatig gekopieerd. Met dit werk loopt Oppenheim volgens Liesbeth Brandt Corstius vooruit op de kunstenaars (v) die de performance / happening gebruikten om de eigen erotiek vorm te geven (feministische kunst internationaal, 1978, p.32).

Wat mij bevreemdt is dat Oppenheim bij Frühlingsfest een vrouw heeft gebruikt als passief object, waarvan door drie mannen en drie vrouwen voedsel gehapt wordt. Op internet zag ik een versie van dit voorjaarsfeest langskomen met een man als passief object. Natuurlijk, die variatie is in latere jaren bij allerlei ‘re-enactments’ van deze performance ook aan de beurt gekomen.

Brandt Corstius schrijft: ‘Ons geeft haar ‘Banket’ de mogelijkheid om na twintig jaar een ontwikkeling in het denken van vrouwen over seksualiteit te constateren. Waarschijnlijk zien we in 1979 scherper hoe in de fantasie van Meret Oppenheim een vrouw nog steeds het passieve voorwerp van genot is – ook al is dat van mannen én van vrouwen (1978, p.32).

Wat Brandt Corstius daar nu precies mee bedoelt? Ik begrijp het niet zo goed. Is de vrouw in 1979 niet meer het passieve voorwerp van genot? Dat durf ik zeer te betwijfelen. Zelfs in onze huidige tijd laat bijvoorbeeld #MeToo zien dat het nog steeds droevig gesteld is. Natuurlijk zijn er altijd vrouwen (geweest) die weigeren een ‘passief voorwerp’ te zijn en Meret Oppenheim lijkt mij er juist een van. Helaas kan ik het haar niet meer vragen, maar misschien kom ik op een dag nog iets over haar keuze in deze performance / happening tegen.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Advertenties

Aflevering 180 Meret Oppenheim maakt een van de eerste happenings

LINKS: Meret Oppenheim, Ex voto (Wurgengel), 1931. Afbeelding gevonden op: https://www.kunstforumwien.at/en/exhibition/kunstforum/201/meret-oppenheim. RECHTS: Meret Oppenheim, Frühlingsfest (Lentebanket), 1959. Foto gevonden op https://www.scene4.com/archivesqv6/oct-2013/1013/renatestendhal1013.html.

Liesbeth Brandt Corstius schrijft in feministische kunst internationaal over Meret Oppenheim: ‘Met haar theekopje en -schotel bekleed met bont verzekert zij zich in 1936 al een plaats in de geschiedenis van het surrealisme. Ze beseft echter al vroeg dat het voor een kunstenares extra moeilijk is om met volstrekt nieuwe ideeën naar buiten te treden.’ (1978, p.31)

En zo is het! (Zie ook voorgaande afleveringen: 175-179.)

Als Oppenheim in 1975 de kunstprijs van de stad Basel voor haar gehele oeuvre in ontvangst neemt, zegt ze in haar toespraak:

Elk nieuwe idee is agressief. En agressie is in absolute tegenspraak met het idee dat mannen over vrouwen met zich meedragen en op vrouwen projecteren.

Oppenheim zegt dan ook:

De vrouw heeft verplichtingen door haar levensloop te bewijzen dat de taboes, die eeuwenlang de vrouw onderdrukt hielden, niet meer gelden. Die vrijheid wordt niet gegeven, die moet men zelf nemen. (Citaten in feministische kunst internationaal, 1978, p.31.)

Brandt Corstius schrijft verder dat Oppenheim voor zichzelf vrijheid heeft veroverd door te weigeren kinderen te krijgen en dat het werk Ex voto (wurgengel)(1931) haar gevoelens over die weigering symboliseert (1978, p.32).

Huh?!?

Hoe kan Brandt Corstius dat nu weten?

Dat werd zoeken naar ‘bewijs’. Gelukkig vertelt Oppenheim daarover zelf in de docu (zie aflevering 178), dat een van de mannen (surrealisten) iets zei over de bestemming van de vrouw, namelijk kinderen krijgen, en dat zij dacht: echt niet! Mooi niet! Aan dat spelletje doe ik niet mee!

Vervolgens heeft ze Ex voto (wurgengel) gemaakt en dat werk heel lang verborgen gehouden. Pas laat in de jaren 1950 heeft ze het werk openbaar gemaakt. Ex voto is overigens Latijn voor ‘krachtens een gelofte’ en de betekenis hangt samen met een gewijd oord (altaar, heiligenbeeld in een bedevaartsoord, kerk) en een smeekbede/dank aan God/heilige voor een te verkrijgen dan wel verkregen gunst (wikipedia en woordenboek).

Volgens Brandt Corstius kenmerkt de onafhankelijke opstelling van Oppenheim haar houding tegenover erotiek. Ze beschrijft Frühlingsfest (1959) ook bekend als Het Banket: ‘op een tafel ligt een naakte jonge vrouw tussen brandende kaarsen en versierd met anemoontjes. Op haar lichaam is een heel diner uitgespreid, een voorgerecht, biefstuk, champignonsalade en zoetigheden als toetje. Twee vrouwen en drie mannen scharen zich om deze dis en happen met hun mond de gerechten van het naakte lichaam.’ (1978, p.32)

Brandt Corstius voegt daaraan toe dat Meret Oppenheim dit ‘Banket’ beschreef als een ‘voorjaarsfeest’. Volgens haar kun je het ook zien als ‘een van de eerste ‘happenings’, die omstreeks 1960 door zoveel Amerikaanse en Europese kunstenaars georganiseerd werden.’ (1978, p.32)

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 179 Meret Oppenheim: ‘eeuwenoude discriminatie van de vrouw drukte op mijn schouders’

Meret Oppenheim, Krieg und Frieden, 1943. Foto: Susan Hol, genomen uit Meret Oppenheim. Beyond the Teacup, 1996, p.81,

Als Meret Oppenheim vijf jaar na haar aankomst in Parijs de stad de rug toekeert (1937), start ze in Basel aan de kunstnijverheidsschool. Ze is haar kunstenaarscarrière begonnen als autodidact (op een paar bezoekjes aan de Académie de la Grande Chaumière in Parijs na). Twee jaar lang leert ze in Basel de fijne kneepjes van beeldende technieken.

Het meest geloofwaardige verhaal, want gebaseerd op feiten, over haar terugkeer naar Basel komt uit Meret Oppenheim. Beyond the teacup (1996). ‘Vanwege geldtekort besluit ze naar Basel terug te keren in 1937. Vanwege zijn joodse naam was haar vader niet meer in staat zijn artsenpraktijk in Duitsland voort te zetten en verhuisde de familie naar Zwitserland. […] Meret zorgt in Basel voor wat eigen inkomen door schilderijen te restaureren en portretten te schilderen.’ (1996, p.161)

Gebrek aan geld, de oorlog en de steeds terugkerende muur van mannelijke overheersing, maakten het Meret Oppenheim lastig. Ze kon niet zo vrij zijn als ze wilde en daar was ze voor en in Parijs al een aantal keer tegenaan gelopen. In de docu (zie aflevering 178) spreekt ze heel kort over haar crisisperiode, een tijd waarin ze veel werk maakte dat ze grotendeels vernietigde of onaf liet liggen.

Bij ‘crisis’ denk je aan een zielig vogeltje in een hoekje, maar daar was bij Oppenheim allerminst sprake van. Ze heeft in 1938 een tentoonstelling in Amsterdam, gaat in 1939 voor even terug naar Parijs voor een expositie met de surrealisten, raakt betrokken bij Gruppe 33, een kunstenaarsgroep die duidelijk antifascistisch is, en doet mee aan diverse tentoonstellingen van onder andere Allianz, een Zwitsers kunstgenootschap. Ze heeft door noord-Italië gereisd, is getrouwd met Wolfgang La Roche en … nou ja, haar leven stond dus bepaald niet stil.

Tijdens die crisisjaren twijfelde ze niet aan haar werk, zo schrijft Sabine Altorfer in Meret Oppenheim Eine Einführung, en ze citeert Oppenheim:

Het was veel meer alsof de eeuwenoude discriminatie van de vrouw op mijn schouders drukte, als een in mij vastzittend gevoel van minderwaardigheid. (2013, p.34)

Ze maakt bijvoorbeeld deze crisisjaren het belangrijke werk dat ik als illustratie bij deze aflevering heb opgenomen: Krieg und Frieden, 1943.

Maar dan, in één slapeloze nacht tijd, trekt de mist op en is de crisis voorbij.

‘Een innerlijk verloste kunstenares lukt het dan in het inspirerende klimaat van het Bern van de jaren 1950 en 1960 veel van haar belangrijkste werken te maken. En ze werd een voorloper en een voorbeeld voor de andere kunstenaressen in Bern.’ (Altorfer, 2013, p.34)

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 178 Meret Oppenheim: de enige echte surrealist?

Meret Oppenheim, Husch-husch, der schönste Vokal entleert sich, 1934. Foto: Susan Hol, genomen uit Meret Oppenheim. Beyond the Teacup, 1996, p.63.

Tussen 1932 en 1937 in Parijs was het werk van Meret Oppenheim in vorm, inhoud en presentatie van een ‘indrukwekkende veelzijdigheid en een geheel eigen expressie’, aldus Christian Fluri (in: Meret Oppenheim Eine Einführung, 2013, p.15).

Toch werd de wereld om haar heen een vergelijking:

bontkopje = surrealisme = Meret Oppenheim (zie aflevering 177).

Het idee voor het bontkopje ontstond trouwens heel eenvoudig, of beter: terloops. Oppenheim zat met Picasso en Dora Maar in de kroeg en liet een armband zien die ze had overdekt met bont. Ze probeerde kostuumsieraden te ontwerpen voor de haute couture om financieel het hoofd boven water te houden. Dora Maar vond hem heel mooi en wilde de armband graag hebben. Picasso zei: ‘Ach ja, je kunt van alles met bont overtrekken’. Dora Maar en Meret Oppenheim moesten daarom lachen en begonnen allerlei dingen aan te wijzen en zeiden: ‘Ja, dat kopje daar of dit schoteltje…’.

Als kort daarop André Breton haar vraagt mee te doen aan een tentoonstelling, moet ze meteen aan het met bont gevoerde kopje denken. Ze kocht een kopje, een schoteltje en een lepeltje. Thuis had ze nog een dun gazellehuidje liggen. Ze knipte het in vorm en plakte het op kop, schotel en lepel.

In deze documentaire van 2Doc wordt daarover verteld, hij duurt 52 minuten.

De vergelijking bontkopje = surrealisme = Meret Oppenheim klopt natuurlijk niet en heeft haar danig in de weg gezeten. Beperkte het haar in de vrijheid die ze zo belangrijk vond? Ontstond daardoor de langdurige crisis (±1937 tot ±1947)?

Het is echt zoeken naar een juist antwoord. Er is zoveel over gezegd en geschreven door anderen dan haarzelf. Gelukkig komt ze in de documentaire veel zelf aan het woord, op latere leeftijd. Beetje wrang wel dat de docu is getiteld met: Meret Oppenheim – Icoon van het surrealisme. Aan de andere kant, misschien vertegenwoordigt zij wel het echte surrealisme omdat zij werkt vanuit haar dromen.

Als veertienjarige begon ze al haar dromen te noteren en daarbij tekeningen en schetsen te maken, zo vertelt iemand in de docu terwijl de notities met tekeningen worden getoond. In de docu vertelt Oppenheim dat dromen de enige vorm van contact van volwassenen met de oerwereld zijn.

‘Want het intellect brengt niets voort. Het is niet mogelijk om met het intellect kunst te maken. Het intellect stelt ons wel in staat om dingen te produceren, maar die kunnen de ziel niet beroeren.’

Vermoedelijk stond bij de mannelijke surrealisten juist wel het intellect op de voorgrond. Zij wilden school maken, hadden rationele ideeën over welke kant het op moest gaan met de kunst en meer van dat soort zaken die je terugziet bij elke in de kunstgeschiedenis genoteerde stroming. Allemaal mannenkwesties.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 177 Meret Oppenheim: Le déjeuner en fourrure (bontkopje)

Meret Oppenheim. Foto gevonden op: https://www.widewalls.ch/artist/meret-oppenheim/.

Als Meret Oppenheim naar Parijs gaat in 1932 (zie aflevering 176) is ze negentien jaar. Ze is een jonge vrouw die al veel weet, maar vooral ook nog veel moet leren.

Ze is bovenal een mooie vrouw met de inslag van een rebel. Erg aantrekkelijk voor de mannen die zich surrealisten noemen. Ze wordt dan ook vrij snel opgenomen in de kring van de surrealisten, waaronder dus André Breton (zie aflevering 176). Ze neemt deel aan regelmatige bijeenkomsten van de surrealisten in het Parijse Café de la place Blache. Af en toe gaat ze naar school, maar meestal is ze ‘thuis’ (een hotelkamer in Montparnasse) aan het werk.

Belangrijk voor haar is dat Alberto Giacometti, Hans Arp en Max Ernst als eerste haar werk opmerken en waarderen. Deze kunstenaars motiveren haar ook. In feite is het surrealisme voor Oppenheim eerder belangrijk in algemene zin, in haar werk zijn geen specifieke surrealistische keuzen terug te vinden. ‘Wat Oppenheim bovenal beïnvloedde in Parijs was geaccepteerd en gewaardeerd worden in de manier waarop ze haar leven leidde.’ (Josef Helfenstein, Meret Oppenheim. Beyond the teacup, 1996, p.24.)

Behalve dat Oppenheim deel kon nemen aan de bijeenkomsten van de surrealisten, werd ze ook uitgenodigd om mee te doen met hun groepstentoonstellingen. Ze had daardoor tentoonstellingen in 1933 (Parijs), 1935 (Kopenhagen), 1935 en 1936 (Parijs), 1936 (Londen en New York).

‘In amper drie jaar werd Oppenheim dus een regelmatig deelnemer aan surrealistische evenementen.’ (1996, p.25)

En toen.

Veranderde alles.

Want ze maakte Le déjeuner en fourrure, het met bont beklede theekopje.

Direct nadat het was tentoongesteld in Parijs in 1936, werd het aangeschaft door Alfred H. Barr Jr. voor de collectie van het MoMA in New York.

Het ding was op slag beroemd.

Het was een grote hit op de tentoonstelling ‘– ongetwijfeld omdat het klassiek eenvoudig het basisprincipe van het surrealistische object presenteerde’. (1996, p.27)

Het bontkopje zette een heleboel verbeelding in werking, bij critici, andere kunstenaars en het publiek. Vaak positief, in de vorm van verrukking en gelach, maar ook negatief, in de vorm van boosheid en afschuw. En er was jaloezie van mannelijke kunstenaars, die het bontkopje in laatdunkende woorden zo ver mogelijk de grond in wilden boren.

Het werk was, kortom, superieur, een spectaculair succes, en een van de meest populaire stukken van alle surrealistische werken.

Met de kunstenaar daarentegen ging het steeds minder goed.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 176 Grootmoeder gaat voor in kunst en emancipatie

Toen Meret Oppenheim het konijn in haar wiskundeschrift tekende (zie aflevering 175) was ze zeventien jaar. Ze interesseerde zich geen bal voor wat de school haar te bieden had en de tekening was een manier om haar vader dat duidelijk te maken. Tenminste, dat wordt erover geschreven in boeken en artikelen die ik kan vinden op internet. Haar moeder? Vond zij er ook iets van? Geen idee, zij komt nergens in voor.

Wel leuk gevonden: dat je zo’n wiskundige wortelvergelijking moet opschrijven, dan aan een konijn denkt en deze er dan simpelweg bij tekent. Een lolletje, een doodle van een scholier, zou ik denken. Simon Baur noemt dit lolletje een ‘vroeg object van Meret Oppenheim’ (Meret Oppenheim Eine Einführung, 2013, p.24). Ik moet daar een beetje om lachen. Een spontaan getekend konijn in een schoolschrift wordt een ‘object’ waarin van alles gezien wordt. Wat natuurlijk daaraan heeft meegeholpen is dat de beroemde surrealist André Breton er iets in zag.

Hij vond in de wiskundige wortelvergelijking en het konijn een combinatie van rationaliteit met het onbewuste, iets dat de surrealisten mateloos interesseerde. Het schoolschrift belandde dan ook in 1957 in het tweede nummer van het tijdschrift Le Surréalisme même, onder de titel Das Schulheft.

Het leven van Meret Oppenheim is doordrenkt met kunstenaars. In het ouderlijk huis ontmoet ze Hugo Ball en Herman Hesse, in Parijs komt ze in contact met kunstenaars als Alberto Giacometti, Hans Arp, Picasso, Dora Maar, Man Ray, Louis Marcoussis, Max Ernst en Marcel Duchamp.

Maar belangrijk voor haar is vooral haar grootmoeder, Lisa Wenger (1858-1941), beeldend kunstenaar en schrijver. Wenger studeerde in Parijs, Florence en Düsseldorf en had in Basel een school voor het schilderen van porcelein. Ze schreef een aantal boeken, en illustreerde bij een traditionele Duitse ballade: Joggeli söll ga Birli schüttle (De boer stuurt Jakob eropuit), uitgegeven in 1908 en nog steeds populair én verkrijgbaar. Iemand heeft het verhaaltje op de vimeo gezet die bij deze aflevering is geplaatst. Het ziet er leuk uit, met de tekeningen van Wenger. Het gaat dus om een boer die Jakob een opdracht geeft, maar Jakob gaat liever in het gras liggen. Vervolgens stuurt de boer van alles en nog wat eropuit, de hond, een stok, vuur, water, een koe, de slager … om Jakob maar aan het werk te krijgen. Helaas.

Voor Oppenheim is haar grootmoeder een voorbeeld in kunstzinnige en emancipatorische kwesties. Haar vader is de man die haar de keuze geeft tussen Parijs of München voor haar kunstzinnige vorming. Ze kiest Parijs en leeft daar samen met haar vriendin de schilder en danser Irène Zurkinden.

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.

Aflevering 175 Het vrolijke konijn bij de wiskundige wortel

Meret Oppenheim, Das Schulheft, 1930, Tinte, Collage 20,5 x 33,5 cm. Foto: Susan Hol, genomen van het boek Meret Oppenheim Eine Einführung, Simon Baur Christian Flur (Hg.), Christoph Merian Verlag, 2013.

Uit een groot kunstwerk, een gedicht, een schilderij, een muziekstuk of een filosofische verhandeling, spreekt altijd de hele mens. En die is zowel mannelijk als vrouwelijk.

Wauw, een citaat naar mijn hart. Al zo lang roep ik dat we mensen zijn. Al die nadruk op verschillen, pfffft. Misschien ben ik een roepende in de woestijn, maar ik ga daar stug mee door en daar ben ik goed in, stug doorgaan 🙂

De uitspraak is van de kunstenaar Meret Oppenheim (1913-1985) en komt uit Magna, Feminismus: Kunst und Kreativität, Wenen (Galerie nächst St. Stephan), 1975, p.7. Ik vond deze uitspraak infeministische kunst internationaal, 1978, p.31, in het stuk van Liesbeth Brandt Corstius (zie ook aflevering 158).

Meret Oppenheim is een jongere landgenote van Hannah Höch (zie aflevering 174) en beide vrouwen hebben het beeld van de androgyne mens voor ogen.

Als je denkt: Meret Oppenheim … die naam … die ken ik toch ergens van … kan ik je helpen. Je kent haar van Le dejeuner en fourrure (1936), het met bont beklede theekopje. Of preciezer: ‘een kunstobject bestaande uit een kop en schotel met een lepel, bekleed met de pels van een Chinese gazelle’ (Art Salon, mét foto ervan). Ik weet niet waar Art Salon dan weer die wijsheid vandaan heeft, maar goed, dáár ken je Meret Oppenheim van, van dat bontkopje, als haar naam je bekend in de oren klinkt.

Nu merken Jacqueline Burckhardt en Bice Curiger terecht op dat dit kunstwerk nou niet per se iets zegt over de vrouw die het gemaakt heeft. Het zegt waarschijnlijk eerder iets over de kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw, een eeuw waarin een volkomen alledaags luchthartig voorwerp getransformeerd is in een fetisj met historische invloed. Het werk en degene die het gemaakt heeft, zo schrijven zij, zijn opgeslagen op de planken van de kunst als een in formaldehyde bewaarde Siamese tweeling – hier het erotische, Surrealistische project in wording (protoproject), daar de mooie, in vervoering gebrachte muze – en behandeld als historische gegevenheden, niet in staat tot wederzijdse communicatie. (Meret Oppenheim. Beyond the teacup, 1996, tentoonstellingscatalogus.)

Meret Oppenheim weet al vroeg dat school niets is voor haar. In haar schoolschrift staat een wortelberekening en daaronder heeft ze x als een konijn gedefinieerd. Volgens Simon Baur is het konijn uit een stripverhaal gesprongen. Een ongewone combinatie, schrijft hij, de rationele wiskunde en het grappige konijn. Het mag dan volgens hem ook niet verbazen dat André Breton, de paus van de surrealisten, zich daarvoor interesseerde. (In: Meret Oppenheim Eine Einführung, Simon Baur Christian Flur (Hg.), Christoph Merian Verlag, 2013, p.24).

Hoe zit dat?

De komende tijd zal ik in de vorm van een feuilleton de lezer meenemen in mijn zoektocht. De zoektocht naar wat? Iets met kunst, performance, Abramović, feminisme, esthetica, filosofie. Dat wordt in de loop van de tijd duidelijk. Inhoudsopgave Feuilleton Abramović, met links per aflevering.